Kenmerkend voor de vinpotigen (zeezoogdieren) is dat ze aan land of op het ijs komen om hun jongen ter wereld te brengen. Dit in tegenstelling tot de walvisachtigen, waarvan de jongen in het water geboren worden. Zoals de gewone zeehond in het waddengebied gebruik maakt van de zandbanken, maken andere soorten gebruik van rotsachtige kusten, zandstranden of ijsvlaktes.
Echte zeehonden komen wereldwijd op verschillende plaatsen voor. Op het Noordelijk halfrond in het Arctische gebied en op gematigde breedte de largha zeehond, grijze zeehond en gewone zeehond (overwegend gematigde breedte) de zadelrob, ringelrob, bandrob, baardrob en klapmuts (overwegend Arctisch gebied) en in sub-tropische wateren de monniksrob. In de gematigde en sub-tropische wateren van de oostelijke Stille oceaan de Noordelijke zeeolifant.
Op het Zuidelijk halfrond in de Antarctische en sub-Antarctische wateren leven de Ross zeehond, zeeluipaard, Weddell zeehond, krillrob en Zuidelijke zeeolifant. Enkele soorten komen zelfs voor in zoet water: de Saimaa-zeehond (een ondersoort van de ringelrob) leeft in het Saimaa-meer in Finland, de Ladoga-zeehond (ook een ondersoort van de ringelrob) in het Ladoga-meer in Rusland, in enkele meren in Canada leven gewone zeehonden en in het Baikal-meer in Siberië leeft de Baikal rob. Ook in de brakke Kaspische zee komen zeehonden voor; de Kaspische zeehond.
Over al deze zeehonden vindt u informatie bij alle soorten op een rij.
