Het lichaam van een zeehond

Een zeehond is aangepast aan het leven in zee, maar komt nog steeds aan land. Daardoor is een zeehond minder aangepast in vergelijking met de andere groep zeezoogdieren: de walvisachtigen die permanent in het water leven. De zeehond heeft aanpassingen aan het leven in en onder water, en dat is een heel ander leefmilieu dan de open lucht. De aanpassingen hebben deels betrekking op het in water kunnen overleven, maar zijn ook gericht op het zich voortbewegen in water. Water bevat geen bruikbare zuurstof voor zoogdieren. Dat betekent voor zeehonden dat ze regelmatig naar de oppervlakte moeten komen om adem te halen. Om toch langere tijd onder water te kunnen zijn en zo voedsel te vergaren, heeft de zeehond veel aanpassingen om zuurstof te besparen. (ZIE VERDER ONDER ZWEMMEN en DUIKEN). Water geleidt ook warmte aanzienlijk beter dan lucht, dus lichaamswarmte gaat onder water sneller verloren. (ZIE VACHT EN SPEKLAAG) Het feit dat water veel dichter is dan lucht is van invloed op de voortbeweging: een zeehond moet veel meer arbeid verrichten in verhouding tot een dier dat zich voortbeweegt over land. Anderzijds ondersteunt het water zijn lichaam, en dat heeft gevolgen voor de bouw. Dit is in extreme mate te zien bij de grote walvissen, die een dergelijke omvang alleen konden bereiken dankzij de opwaartse kracht van water. Een reductie van extremiteiten (uitstekende delen) heeft plaats gevonden, waardoor ook minder oppervlakte aan het koude water bloot staat.