Begin mei word ik al onrustig. Ik kijk dan honderd keer in onze database wanneer in de vorige jaren de eerste huilers binnenkwamen en waar ze gevonden werden. Twee uur na hoog water kan ik dan niet meer in huis zijn. Want vlak achter ons huis is de dijk waar bijna ieder jaar de eerste huiler wordt gevonden.
Wat voor weer het ook is, eerst even op Internet (bij Het Getij) kijken hoe het ervoor staat met de waterstanden en dan in mijn 40 jaar oude bestel-eendje, gewapend met verrekijker, op weg naar de dijk.
Ik heb een bepaalde route.
Ik begin vaak in de Dollard om te kijken hoe het daar is met het aantal zeehonden. Begin mei is het daar nog rustig. De moeders zijn er dan nog niet; ze zwemmen meer naar buiten, boven Rottum en Borkum. Maar iedere dag komen er een paar meer naar de zandbanken in de Dollard. En dan opeens zie je de eerste moeder met een jong! Dan begint de adrenaline te stromen. Ik zie dan iedere steen langs de dijk aan voor een zeehond.
Afgelopen zaterdagmiddag had ik een werkbespreking thuis, maar ik keek tussendoor gauw nog even bij de waterstanden: ik moest die avond tegen zeven uur bij de dijk zijn.
Dat moest te regelen zijn.
Maar toen begon mijn man ook nog over boodschappen doen: ik moest even vis halen uit het dorp. Och, toen ik daar toch was, ging ik direct even op de dijk kijken. En ja hoor, er zwom weer een zeehond in de haven van Termunten. Die is er vaak; hij wacht op de visjes van de visboer. En toen met de tas met vis op weg naar huis toch maar even linksaf naar de dijk richting de Dollard om bij de fuiken te kijken. Want daar zijn de afgelopen jaren wel vaker huilers gevonden. Dat deed ik als kind ook al: niet rechtstreeks naar huis, maar even met een omweggetje langs de dijk.
Alleen, om bij deze dijk te komen moet je over een hoog hek met prikkeldraad klimmen. Er zijn wel betonnen opstapjes, maar die zijn verrekte hoog. Maar dankzij de adrenaline hupte ik er zó over. Bij de eerste fuik lag niks, maar toen zag ik in de verte bij een andere fuik iets wits tegen het net aan liggen. Het leek precies een opgerold stuk net, maar je weet het maar nooit. Met de kijker kon ik het niet goed zien, dus scharrelde ik onder langs de dijk naar de tweede fuik. En toen ik daar mijn hoofd weer boven de dijk uitstak zag ik hem liggen: een wit bolletje met een klein kopje. Een te vroeg geboren zeehondje dat zijn moeder was kwijtgeraakt. Ik vergeet op zulke momenten altijd te fotograferen, want ik wil dan maar één ding: zo snel mogelijk helpen. Maar deze keer heb ik toch eerst foto’s gemaakt. Hij sliep ook zo lekker; met zijn flapjes hield hij het net vast als houvast. Dat doen huilers vaker: ze zoeken dan hun moeder en gaan tegen een net, een paal of een steen aan liggen als een soort veiligheid.



Casper (zo heb ik de zeehond genoemd) was veel te vroeg geboren en had nog een volledig witte embryonaal vacht. Normaal verdwijnt die bij de geboorte, want met die lange witte haren is zwemmen moeilijk. En een gewone zeehond moet binnen een paar uur na de geboorte al zwemmen. Hij wordt op een zandbank bij laag water geboren.
Casper was helemaal onderkoeld door zijn zwerftocht op zee. Zijn navelstreng zat er nog aan: hij was dus amper één dag oud. En dan al zo’n reis in de sterke stromingen bij de Dollard!
Ik nam hem op mijn arm en moest toen met de zeehond de steile dijk omhoog, weer over dat hoge hek met prikkeldraad heen. Maar het lukte! Ik nam een sprong van de ene opstapsteen op de andere en landde op de grond met Casper nog veilig in mijn armen.

Wat een geweldig gevoel als je ziet dat na drie flesjes ORS en lekker verpakt in een folie met kruik zo’n diertje weer op temperatuur komt. Zijn koppie komt omhoog en de oogjes gaan weer open.

17-05-2009