Vanmorgen zag ik de eerste lepelaars van dit seizoen alweer overvliegen. Wat een prachtige vogels. Ze komen in Nederland broeden en vlak bij ons huis lekker eten. Dat is in de Dollard, waar straks ook de jongen van de gewone zeehond weer geboren worden. Dat zal nog wel een paar maanden duren, maar de eerste lepelaars zijn er alweer.
Prachtig.
Als ik die sierlijke vogels zie, gaan mijn gedachten naar Mauritanië, want daar overwinteren diezelfde lepelaars. Ik ben er geweest en heb deze wereldburgers ook daar gezien. Mauritanië heeft een lange kustlijn waar “de Sahara in de oceaan valt”. Een deel van die kust bestaat uit rotsen met grotten, waarin een zeldzame zeehondensoort leeft: de met uitsterven bedreigde monniksrob. Maar een ander deel van de kust is een soort waddengebied met zandbanken zoals in de Waddenzee.
Dat gebied heet de Banc d’Arguin.
Wij werken al ruim veertien jaar samen met Mauritaanse biologen en dierenartsen om jonge monniksrobben te helpen die in problemen zijn. Wij hebben in de loop van de tijd een hechte band gekregen met de Mauritaniërs en speciaal met een vrouwengroep, de NGO “Mauritanie 2000”.
Deze organisatie is via de monniksrob met ons in contact gekomen. En met wat hulp van onze kant hebben ze een groot vrouwenproject opgezet voor de vrouwen van de lokale vissers, om de extreme armoede en werkloosheid te helpen oplossen. Vrouwen hebben geleerd de vis te bewerken die hun mannen vroeger niet konden verkopen. Meer dan 2000 vrouwen hebben nu voor hun families een inkomen. Ze koken, drogen en roken vis, maken visolie en verkopen al die visproducten.
Geweldig! En de monniksrob is hun mascotte geworden.

Ik ben met de leiding van deze vrouwengroep door de Banc d’Arguin getrokken om zelf te ervaren met welke problemen de lokale bevolking te maken heeft. En daar schrik je écht van. Europese, en vooral Nederlandse natuurbeschermers hebben allerlei maatregelen bedacht om de overwinterende vogels te beschermen. De lokale bevolking mag niet vissen met een bootje met een motor, want daar schrikken de vogels van. Er mogen geen kokkels gevangen worden, zelfs niet met de hand, want dat zou niet goed zijn voor de vogels. Enzovoort.
Ik werd daar zo boos.
Er is daar een groot gebouw neergezet, met een windmolen en veel antennes, want de hele wereld aan natuurbescherming rent daar rond en zorgt voor de vogels, maar de lokale mensen laten ze verrekken. Schandelijk! In het dorpje naast dat grote gebouw hebben de bewoners geen enkele voorziening en als ze naar de dokter moeten zijn ze vele uren met hun kinderen onderweg door de woestijn. Ik schaamde me diep.

Als ik daar woonde dan wist ik het wel.
Dan at ik alle vogels op zodat ze nooit weer in Nederland aankwamen.
Ik heb een enorme bewondering gekregen voor de lokale bevolking, want die houden ondanks alles van de vogels en eten ze niet op. Maar je kunt het als natuurbeschermingsorganisatie gewoon niet máken om alleen maar voor de dieren in een bepaald gebied te zorgen. Wij hebben met de zeehonden al veel eerder geleerd dat je alleen maar iets bereikt als je de mensen in dat gebied erbij betrekt. Natuurbeschermers moeten ervoor zorgen dat de lokale bevolking ook een goede kwaliteit van leven krijgt. En krijg je dat zelf niet voor elkaar, betrek dan de NOVIB erbij of een andere hulporganisatie.
Of schakel de internationale visserij in; dat hebben wij ook gedaan.
Dankzij de NOVIB en de Zeehondencrèche hebben meer dan 2000 vrouwen langs de kust en in de Banc d’Arguin werk, maar er moet nog veel gebeuren. Ad Corten, een Nederlandse visserijbioloog die veel werkt in Maurianië, schreef in het blad Visserijnieuws over de bescherming van de vogels: “…De politieke vraag is natuurlijk of het de Mauritaanse bevolking is die hiervoor de prijs moet betalen.” (Wilt u het artikel lezen? Klik hier).
De lepelaars hebben in ieder geval nog wel vertrouwen in Nederland, want ik zag ze al weer.
Maar of wij hier zoveel beter voor de dieren zijn?…
29-03-2009