Reactie Prof. Dr. Osterhaus:
Geachte redactie,
Met een mengeling van verbazing en ongeloof heb ik het "drieluik" over het reilen en zeilen van de Zeehondencrèche, van de hand van Annemarie Kok, in uw krant gelezen. De opeenstapeling van onwaarheden en onjuiste interpretaties daagt mij uit om op elk van de drie stukken te reageren. Echter vele direct betrokkenen zullen hetzelfde willen doen, en daarom zal ik mij beperken tot een reactie op het tweede stuk, dat het wetenschappelijk onderzoek van de crèche op de korrel neemt. Ik doe dit tevens omdat ook mijn eigen rol in dit stuk hier en daar voorzichtig in negatieve zin wordt belicht. Het zou absoluut onmogelijk zijn om in dit bestek op alle feitelijke onjuistheden in te gaan. Ik zal me daarom beperken tot het aangeven van enkele grove "missers". Voor een meer gedetailleerde repliek wil ik verwijzen naar de website van de crèche, waarop in de komende dagen e.e.a. meer gedetailleerd uit de doeken zal worden gedaan (www.zeehondencreche.nl).
Een belangrijk kritiekpunt is dat de twee belangrijkste bronnen van informatie, twee wetenschappers zijn die sinds kort op verzoek van het ministerie, deel uitmaken van een landelijk platform, dat de factoren inventariseert die de zeehond in zijn natuurlijk leefmilieu bedreigen. Dit omdat alle participanten van dit platform, waaronder ikzelf, van mening zijn dat op dit moment niet duidelijk is wat er nu precies aan de hand is met de zeehond en zijn ecosysteem. Om deze evaluatie zo open en wetenschappelijk mogelijk te laten verlopen is gezamenlijk overeengekomen om deze discussie eerst binnen het platform te voeren, voordat deze eventueel in de pers zou plaatsvinden. Alhoewel genoemde twee wetenschappers deze afspraak niet nakomen, vind ik dat in het belang van de discussie ik me aan deze afspraak moet blijven houden. Ik wil derhalve niet ingaan op een aantal door de heren gemaakte ongenuanceerde uitspraken ter zake.
Het gehele artikel is gebaseerd op uitspraken van een aantal geciteerde wetenschappers, waaronder een "populatiebioloog", een "ecotoxicoloog" en een "bioloog". De waarde van hun uitspraken en conclusies over wetenschappelijke zaken, wordt uiteraard vooral bepaald door hun eigen wetenschappelijke kwaliteiten. Deze is objectief te meten, door na te gaan in hoeverre hun wetenschappelijk werk en opinies gepubliceerd en geciteerd worden in internationale vakbladen. Alhoewel genoemde wetenschappers ongetwijfeld vele andere belangrijke kwaliteiten zullen hebben, blijkt zo'n evaluatie voor elk van hen vernietigend uit te vallen: zij kunnen zeker niet worden gerekend tot de categorie "gerenommeerde wetenschappers" op hun vakgebied. Dit staat in schril contrast met de wetenschappelijke output van de Zeehondencrèche, die zich inmiddels heeft ontwikkeld tot een internationaal kennisinstituut op het gebied van de problematiek rond zeehonden. Vele internationale samenwerkingsverbanden en de uitwisseling van kennis, vormen mede de basis voor dit succes. Dat het één van de drie eerder genoemde wetenschappers is gelukt om een aantal handtekeningen te verzamelen van collega's - die ook zeker niet tot de top tien op hun vakgebied gerekend mogen worden - onder een brief die zich kritisch uitlaat over de meetbare successen van de Zeehondencrèche, zegt meer over de tijdsbesteding van deze wetenschapper dan over de kwaliteit van het werk van de crèche.
De bagatelliserende opmerkingen over mijn betrokkenheid bij het wetenschappelijk onderzoek van de crèche worden direct weerlegd wanneer mijn eigen wetenschappelijke output op dit gebied wordt vergeleken met die van elk der bovengenoemde drie wetenschappers. En ik spendeer hieraan slechts een fractie van mijn tijd. Opmerkingen over mijn vermeende geïsoleerde positie hierbij, geven aan dat de schrijfster kennelijk niet op de hoogte is van het netwerk van internationaal erkende adviseurs op vele relevante deelgebieden, die de crèche met raad en daad bijstaan bij haar vele werkzaamheden in binnen- en buitenland.
Tenslotte wil ik nog éen voorbeeld aanhalen dat illustreert hoe onzorgvuldig in het artikel met gegevens wordt omgegaan. Dit heeft betrekking op een stoutmoedige verdachtmaking over de rol die de Zeehondencrèche bij een totaal mislukte reddingsoperatie voor zeldzame monniksrobben in Afrika zou hebben gespeeld. Deze operatie werd geleid door een der bovengenoemde drie wetenschappers. Omdat ook de Zeehondencrèche de operatie als een absolute mislukking beschouwde heeft zij een internationaal erkend deskundige achteraf een evaluatie van de operatie laten uitvoeren. Zijn rapport was vernietigend voor de leiding en de coördinatie van de operatie die door genoemde onderzoeker werden behartigd. Ook dit rapport is via de website van de Zeehondencrèche toegankelijk.
Concluderend vraag ik me af, of de schrijfster van dit artikel zich bij de aanval op het wetenschappelijk werk van de Zeehondencrèche, met gebruikmaking van de daartoe geëigende technieken, wel voldoende heeft verdiept in de kwaliteit en de volledigheid van de gebruikte informatie. Door dit na te laten dreigt zij de journalistieke evenknie van een wetenschappelijk lichtgewicht te worden.
Prof.Dr. Ab Osterhaus
Voorzitter, Adviescommissie van de Zeehondencrèche
24-03-2000Bron: Zeehondencrèche Pieterburen

