Menu HomeMenu Alles over zeehondenMenu Feiten over opvangAlles over de zeehondencrècheMenu omgevingEerste Hulp Bij ZeehondenMenu Wetenschappelijk onderzoekMenu KidsMenu Winkel
Vier robben en Lies in de woestijn

Uruguay was moeilijker. Maar Mauritanië is ook lang niet eenvoudig. Hoe aardig de mensen ook. C'est l'Afrique (dit is Afrika), is voor dierenarts Lies Vedder uit Pieterburen een gevleugelde uitdrukking geworden. Daarmee wuift ze het scala aan simpele tot bizarre moeilijkheden weg dat iedere dag weer op haar afkomt. Haar missie sinds een maand of vier: de zorg voor vier jonge monniksrobben, door een virus geveld en ziek aangespoeld. Zij komen weer op krachten in de zeehondencreche in het Noord-Mauritaanse havenstadje Nouadhibou. Vier zeehondjes en een Groningse in de woestijn.

Door Margot de Jong
Foto's: Anne Marie Kamp

Het was op het strand aan de voet van de Cap Blanc, Noord-Mauritanie, dat Lies de eerste zieke monniksrob in mei van dit jaar behandelde. De voorbode van een ramp, maar dat wist ze toen nog niet. Ze bivakkeerde in het huisje bovenop de klif, nabij de vuurtoren. Sfeervol omgeven door de met stenen cirkels gemarkeerde graven van guerrillastrijders. Ze had er geen stromend water en geen licht.
"Het was maar vijf dagen. Toen zwom hij weg. Opgeknapt. Kijk, zo daalde ik iedere dag af naar het strand om hem te verzorgen", wijst de Groningse dierenarts op een touw aan een stalen pen in de rots. De fotografe en de verslaggeefster voelen niet de minste behoefte om zelfs maar over de rand te kijken waar het touw eindigt. Zij geloven haar zo wel.

Rechtsomkeert
De monniksrobben staan op appendix A van alle mogelijke lijsten van de meest met uitsterven bedreigde diersoorten. Pakweg vijfhonderd zijn er van over in de hele wereld. De kolonie voor de kust van het Noordwest-Afrikaanse Mauritanie was de laatste echt levensvatbare kolonie ter wereld. Er zwemmen nog een paar honderd individuen in de Middellandse Zee en er zit nog een klein groepje bij Madeira, maar dat was het dan wel. Iedere rob is er eentje, dus.
Vandaar dat dierenarts Lies Vedder van de zeehondencreche in Pieterburen voor een zieke zeehond naar Afrika vloog. De samenwerking met de Mauritaniers bestond toen overigens al enkele jaren. Het leek 'business as usual'. Lies vliegt al jaren over de hele wereld om zeehonden hulp te verlenen. Maar op de ochtend van Lies' vertrek, een paar dagen na het herstel van de monniksrob op het strand, spoelde een dood dier aan. Ze ging kijken, vlak voor het vliegtuig vertrok, maar ontdekte niet direct iets bijzonders. "Het komt natuurlijk vaker voor." Toen ze in Nederland arriveerde lag er een fax: er waren inmiddels al twaalf dode robben aangespoeld. Lies maakte rechtsomkeert.

Tegen de tijd dat ze terug was, waren het er al zestien. De volgende ochtend twintig. ,,Dat ging twee weken zo door; wel acht per dag." Lies zou een poosje blijven. Om sectie te doen op de kadavers en zo te helpen een mogelijke oorzaak te vinden. En om zoveel mogelijk zieke dieren op te vangen. In de eerste week van september telt de Mauritaanse versie van 'Pieterburen' nog vier jonge monniksrobben.

Hele opgave
Ook in Mauritanië komt de plaatselijke bevolking graag zeehondjes kijken. Zeehonden eten vis. Daar jagen ze op. De robjes in de creche hebben daarom zo af en toe levende vis nodig. Minstens een keer in de week moet er dus vis gevangen en levend overgebracht worden naar het aquarium waar de zeehonden verblijven. Dat klinkt redelijk eenvoudig. Maar dit is Mauritanie. Datgene wat eenvoudig lijkt, blijkt vaak een hele opgave. En datgene wat ingewikkeld lijkt, meestal ook. C'est l'Afrique. Om levende vis voor de robben te bemachtigen is Lies wel een paar uur onderweg.

Eerst naar het haventje waar de schepen van het Mauritaanse instituut waarmee 'Pieterburen' samenwerkt, het CNROP, voor anker liggen. Een paar van de zeelieden moeten mee voor de visvangst. Even iemand ophalen, denk je als argeloze westerling, dat duurt misschien een minuut of vijf. Tien als het tegenzit. Mis.

De komst van maar liefst drie vrouwen tegelijkertijd - drie Europese vrouwen nog wel veroorzaakt overigens een oploopje. Nochtans zijn wij in lange rokken en sluiers gehuld. Als we aan de waterkant blijven staan om een foto te nemen drommen tien, twintig, dertig mannen om ons heen. Een paar opgeschoten jochies willen ons per se aanraken, iemand zit aan mijn rugzakje. Het dreigt even vervelend te worden. Maar dan blijken we reeds een vriend te hebben gemaakt. Er grijpt althans iemand in, uit onze naam. Het duurt al een uur en nog zijn de zeelieden niet gearriveerd. ,,Het kan zijn dat er geen geld is voor benzine voor de buitenboordmotor", weet Lies, ,,Dan moet ik betalen en moet er eerst benzine gehaald worden. Dat betekent soms een dag uitstel." Maar juist als we beginnen te twijfelen of het vandaag nog wel lukt arriveren de mannen. We kunnen op weg naar het strand waar het bootje ligt.

Drie vrouwen voorin, drie mannen achterin en niemand die de weg weet. Er is ook geen weg. We rijden over het zand en stuiten iedere keer op een onneembare afdaling naar het strand. ,,De vorige keer gingen we toch daarlangs", wijst Lies, maar de mannen schudden van nee. Naar links, weet de een. Naar rechts, meent de ander stellig. Uiteindelijk rijden we via het terrein van het vliegveld (! ), dwars over de startbaan, richting strand. We moeten door een brede geul met water, maar gelukkig heeft de creche sinds een week een Landrover. Plons.

Probleempje
Een luttel half uur later kunnen we met een ton vol sardinella retour. De ton heeft helaas geen deksel, zodat het nog een hele klus is om de vis binnenboord te houden terwijl we over het strand en de duinen terugrijden. Maar de robben waarderen de moeite zeer, als we drie uur na vertrek uiteindelijk weer bij de opvang terugkeren.

Er blijkt een klein probleempje te zijn gerezen: de elektriciteit en het water zijn afgesloten. De rekening is niet betaald, had de man gemeld terwijl ie de kraan dichtdraaide. ,,Zeker weten dat ie wel betaald is", gromt Lies. Ze moet nu binnen twee uur het bewijs daarvan leveren om morgenochtend - of met heel veel geluk vanavond nog - weer aangesloten te worden. Maar hier is dat niet simpelweg een kwestie van een bankafschriftje overleggen. Dat is er niet.

Lies moet via de huisbaas het betalingsbewijs zien te achterhalen en overleggen. En waar is de huisbaas? Telefoons zijn er nauwelijks, Lies heeft er zelf niet eens een. Ze doen het trouwens niet als het geregend heeft, maar dat terzijde. Er zit niets anders op dan de huisbaas te gaan zoeken. Lies gaat op pad, enigszins gestresst, maar goed beschouwd nog met een wonderbaarlijke hoeveelheid kalmte. Of is het gelatenheid? ,,Ach, iedere dag is er wel wat. Een onvoorziene tegenslag die je weer een paar uur kost." Titjani Sow, bioloog, hoofd afdeling documentatie van het CNROP en de steun en toeverlaat van de creche, knikt: ,,C'est l'Afrique."

Het aquarium waar de monniksrobben opgevangen worden ligt in Cansado. 'Slaperig' betekent het woord in het Spaans, en dat is wel van toepassing op deze buitenwijk van de Noord Mauritaanse havenplaats Nouadhibou. De wijk is gebouwd voor de werknemers van de ijzerfabrieken van de SNIM, de nationale mijnindustrie. De mijnen zelf liggen zeshonderd kilometer landinwaarts. Woestijninwaarts dus. Tussen Nouadhibou en het oosten is, op een zeer enkele oase na, niets dan zand, zand, zand. De treinreis duurt twaalf uur. En alhoewel het een goederentrein betreft zijn er genoeg mensen die 'm nemen. De passagiers met hun zakken aardappelen, hun geitje of andere bepakking wachten aan deze zijde van de spoorweg. Aan de andere kant liggen de mijnen. Het spoor is tevens de grens. De kleine strook land aan de overzijde is omstreden gebied. Het hoort bij de Westelijke Sahara. Eerst bezet door Spanje, in 1976 verdeeld tussen Marokko en Mauritanie en in datzelfde jaar door de guerrillabeweging Front Polisario uitgeroepen tot onafhankelijke staat, verkeerde de Westelijke Sahara jarenlang in staat van oorlog. In die oorlog werd ook de westkust van het schiereiland van Nouadhibou volledig vol landmijnen gelegd. De oorlog werd onbeslist gestaakt en de toekomst van het inmiddels onder toezicht van de VN gestelde gebied is nog steeds onzeker. Maar de explosieven bleven liggen.

In 1988 reed een team van vier Franse biologen dat onderzoek deed naar de monniksrobbenkolonie nog op een mijn. Ze kwamen allen om. Het zijn kortom niet de meest makkelijke omstandigheden waarin Lies moet opereren. De robben zelf zijn zich van geen kwaad bewust. Zij leven hier, juist hier. Ongehinderd door het besef van grenzen en territoriale aanspraken zwemmen zij nu eens in Marokkaanse wateren, dan weer in Mauritaanse.

Uniformen
Het is moeilijk toegang te verkrijgen tot de dieren in dit politiek en militair uiterst gevoelig liggende gebied. En Mauritanie is sowieso 'politiepostenland'. Overal duiken uniformen op; langs wegen, aan de rand van de stad, langs de kust of zomaar ineens midden in de woestijn. Iedere dag weer komt Lies langs een aantal posten en probeert ze zoveel mogelijk aan de controles te ontsnappen.

Alles wat ook maar enigszins ongebruikelijk is (en alles aan Lies is natuurlijk ongebruikelijk) kan namelijk aanleiding geven tot veel ernstige blikken, vragen, hoofdschudderij en wellicht een echt probleem. Maar dat is dan meestal snel te verhelpen, met het juiste papier: bankpapier. ,,Ze verdienen hier erg weinig en hebben van dat magere salaris meestal een heleboel familieleden te onderhouden", vergoelijkt Lies en ze heeft nog gelijk ook. Haar milde toon en goede humeur verdwijnen echter op slag als we die dag langs het strand aangehouden worden.

We zijn met de Landrover onderweg naar de sportvisserijclub, die gratis vis geeft voor de zeehonden. De jeep, overgekomen uit Nederland, is een bron van geemmer. Al een paar keer werden de douaneformulieren gecheckt en nimmer gelijk in orde bevonden. Dr. Barham onze begeleider, springt achter uit de jeep. Zijn uitvoerige uitleg aan de twee agenten gaat met veel minzaam glimlachen gepaard. Het duurt al enige tijd als Lies besluit zich ermee te bemoeien. Maar dat is niet de bedoeling. Dit zijn mannenzaken, ze wordt weggestuurd. Misschien hebben de agenten wel medelijden met Barham dat hij in gezelschap verkeert van zo'n vrouw die overduidelijk haar plaats niet kent, want daarna is het snel bekeken. We mogen door.
,,Hoeveel moest je betalen?", wil Lies weten, maar we blijken gratis doorgang te hebben gekregen.

Die avond moeten de robben gewogen worden. Dat moet een keer in de week, om te checken of ze wel genoeg groeien. Voor het wegen is een weegschaal wel handig. Maar die heeft Lies niet. Ze moet er dus een lenen bij een marktkraampje in de binnenstad. Dat is een reis vol 'hindernissen': iedereen die je tegenkomt dient op Afrikaanse wijze begroet te worden. En dat is niet even snel 'Alles goed? Met mij ook, dank je'. Nee, dat is vragen hoe het met die persoon zelf is, hoe de familie er voor staat, hoe het de kinderen vergaat, even bijpraten. Zo'n rit vergt dus al gauw anderhalf uur. En dan moet ze na het wegen nog weer terug. Bijkomend voordeel is trouwens wel dat ze twee keer langs de mevrouw met de overheerlijke oliebollen komt. Daar word je uiterst hartelijk onthaald, zoals bij iedereen hier trouwens.

Geen sinecure
Het wegen van de robben is geen sinecure. De beestjes dienen daartoe immers gevangen te worden en dat laten ze zich niet makkelijk welgevallen. Lies demonstreert de truc met de veger: beweeg het ding door het water, dan volgen de zeehonden om te spelen. Het moment dat een van hen aan de oppervlakte komt wordt ie gesnapt Dan grijpt een van de hulpkrachten het dier biJ de achterflappen en trekt het zo uit het water omhoog. Hebbes. Een tweede rob wordt gelokt met vis.

Dit is Amrique, menen de medewerkers het dier te herkennen, als ze hem de rieten mand in manoeuvreren. Het mannetje is goed gegroeid; hij weegt ineens al 62 kilo. Amrique klautert snel uit de mand. ,,Dat is Amrique niet", roept Lies. Ze wijst op de aanwezigheid van vier tepels, zo kenmerkend voor het vrouwtjesdier. ,,Les 1", doceert ze lachend. Het is na negenen als ze de weegschaal uiteindelijk weer weg kan brengen.

Regelen
Lies is zo letterlijk van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat bezig. Met regelen, heel veel regelen, met tussendoor het verzorgen van een ezel die ze onderweg tegenkomt met een conservenblikje aan z'n poot, of een ziek vogeltje dat door de buurtkinderen wordt gebracht. Maar met name natuurlijk met de verzorging van de robben. Vooral nu de hulp die ze hard uit Pieterburen vroegtijdig moest vertrekken vanwege een wond aan haar voet. Dat kan erg verkeerd aflopen - met alle uiterst venijnige bacterien, virussen en overige micro-organismen die hier op de loer liggen. En Trijnet is nog suikerpatiente ook. Het ging mis en ze moest halsoverkop terug naar Nederland.

Gelukkig kan Lies voor de warme maaltijd 's middags altijd aanschuiven bij de familie Sow. De Mauritaanse gastvrijheid is ongeëvenaard. In Europa zeker. Titjani Sow werkt bovendien keihard mee en ze heeft twee vaste helpers voor de dagelijkse schoonmaak en voeding. Voor de extra klussen, zoals het om de drie dagen schrobben van het grote bassin, kan ze een beroep doen op het clubje biologen, dierenartsen en onderzoekers van het CNROP dat ook vaak 's avonds laat aanwipt voor de gezelligheid.

House-boy
Ze eten regelmatig mee. Want omstreeks tien uur 's avonds, dat is zo de gewoonte, krijgt Lies eten van haar house-boy. Jawel, een eigen bediende. Die opruimt, schoonmaakt, wast en strijkt. Lang geen gek idee, mijmeren wij. En Moussa is bovendien het zonnetje in huis. Hij moedigt ons voortdurend aan meer te eten want voor Mauritaanse begrippen is vooral de verslaggeefster bijzonder onaantrekkelijk spichtig dun.
Dames dienen hier mollig (lees: dik) te zijn. Vooral de Arabische vrouwen werden van oudsher geacht niet veel meer te doen dan te eten en te rusten.

Grotten
,,Het zijn net Arabische vrouwen", merkt een van de Spaanse onderzoekers dan ook op over de monniksrobvrouwtjes van de kolonie. De vrouwtjes in de grotten aan de Cote des Phoques, de Robbenkust, worden lekker vet. Er zijn een stuk of drie grotten met elk zo'n twintig tot dertig dieren. Dat is wat er van de kolonie resteert. En helaas nog geen nieuwe jongen, tot op heden.

De Spanjaarden werken samen met het nationale park Banc d'Arguin en hebben het recht op de bestudering van de zeehonden weten te verwerven. Zij hebben daartoe toegang tot het gebied aan de kust bij het door de oorlog verwoeste stadje La Guera. Het recht van onderzoek en behandeling van de robben is echter in handen van het Centre National de Recherches Oceanographiques et des Peches de la Republique Islamique de Mauritanie. Het CNROP kortweg; het Mauritaanse instituut dat onderzoek doet naar de oceaan en alles wat daarin groeit en bloeit. Pieterburen werkt er sinds 1993 mee samen.

Kolonie
Alsof er nog niet genoeg gestreden was in dat gebied, brak er over de hoofden van de robben een ware oorlog uit tussen de vier betrokken instellingen. Of het nu een virus of een toxine was waardoor de zeehonden getroffen waren (het bleek achteraf een virus) en wat er diende te gebeuren. ,,Te gek voor woorden, dat geruzie. Terwijl een uiterst bedreigde diersoort in crisis verkeert", zegt Lies fel.

Gouveneur
Meer dan de helft van de kolonie stierf, van de twee honderdzeventig dieren zijn er nog maar zeventig tot honderd over. Ze stapte naar de gouverneur van het gebied en bewoog hem ertoe de partijen tot de orde te roepen. Zo werd de samenwerking hervat. Lies legt juist uit hoe het uitzetten en volgen van de vier opgeknapte robben in z'n werk zat gaan, als zich een probleem aandient in de crèche. De waterpomp heeft het begeven. En na een paar uur zonder vers zeewater komt de opvang van de zeedieren al knijp te zitten. Ze moet aan de slag. C'est l'Afrique.

20-09-1997 Bron: Drents Groningse Dagbladen

Ik word Donateur